post

Beverrat

Myocaster coypus (Molina)

Algemeen

Een diersoort die voorkwam beneden de rivieren in Nederland maar nu ook boven de rivieren voorkomt.
De beverrat komt van oorsprong voor in Zuid-Amerika en leeft daar vooral in moerasstreken, maar ook langs de kust.
Begin vorige eeuw werd de soort in Europa ingevoerd om te worden gehouden voor het bont. Sinds 1930 in Nederland. In de strenge winter van 1962-1963 stierf de hele populatie uit in Nederland, maar kwam tocht weer terug via de Roer vanuit Duitsland. De eerste exemplaren werden in de buurt van Roermond aangetroffen. Van hieruit hebben de beverratten zich voor een groot deel over Nederland verspreid, maar ook vanuit het Duitse grensgebied migreren ze naar onze noordelijke provincies.

Uiterlijk

De beverrat is een grote lompe rattensoort. Het lichaam meet 50 tot 60 cm en de ronde staart is 30 tot 40 cm lang. Het gemiddelde gewicht bedraagt 5 tot 6,5 kg. De kleur varieert van geelbruin, donkerbruin, tot bijna zwart.
Hij heeft kleine oren, kleine voorpoten en grote achterpoten met zwemvliezen tussen de vier tenen. Tevens grote snorharen en opvallend oranjekleurige snijtanden.

Voortplanting/leefwijze

De beverrat kan 2-3 keer per jaar jongen groot brengen. Het aantal per worp is gemiddeld 6 jongen. De draagtijd is ongeveer 4 maanden. Beverratten verplaatsen zich vnl. stroomafwaarts wat overeenkomt met de huidige verspreiding. Ze verplaatsen zich o.a. bij te hoge waterstanden.
Beverratten leven bij voorkeur in waterrijke gebieden. Ze overleven slecht strenge winters omdat de holingang op waterniveau begint en dicht kan vriezen. Ook kunnen ze niet onder het ijs door zwemmen, zoals muskusratten.
Er bestaan familiegroepen tot wel 30 dieren. Ze verplaatsen zich zowel zwemmend als lopend over soms zeer grote afstanden. De actieradius langs het water bedraagt 200-300 m en 50 m landinwaarts. Het voedsel is hoofdzakelijk plantaardig, maar zwanenmosselen worden soms ook gegeten. De beverrat eet per dag 25-40% van zijn lichaamsgewicht, vnl. waterplanten (zegge, zuring, liesgras, fonteinkruid, pijlkruid, lissen, lisdodde, etc.), maar ook uitlopers van wilgen. Tevens lusten ze landbouwgewassen zoals maïs, voeder- en suikerbieten, kool, granen en aardappelen.

Sporen

  • Beschadiging en verzakking oevers.
  • Zwembanen en holingangen.
  • Holingang 20-25 cm, diepe gangen.
  • Looppaden die door oeverbegroeiing lopen naar aangevreten akkerbouwgewassen.
  • Uitwerpselen: cilindrisch, met groeven in de lengterichting, 1,5-5,5 cm bij 1,0 tot 1,5 cm.
  • Afgevreten rietstengels en lisdodden.

Schade

Beverratten kunnen behoorlijke schade toebrengen aan landbouwgewassen. Ook door hun graafwerkzaamheden kunnen ze oevers en dijken ondermijnen wat leidt tot het verzakken van oevers. Daarom worden ook beverratten weggevangen door de daarvoor aangewezen muskusrattenbestrijders.

Bestrijding

Zodra u een beverrat heeft gezien kan u de plaats melden bij uw waterschap. Landelijk is een coördinator muskusrattenbestrijding in dienst welke ook de beverrattenbestrijding coördineert.
Ook heeft elk waterschap speciaal opgeleide mensen in dienst die iedere werkdag op pad zijn als muskus- beverrattenvanger.
Mocht u een beverrat hebben gezien, of weten waar een nest of gangenstelsel zit, meldt dit dan bij uw waterschap! zie www.muskusrattenbestrijding.nl